December 2010

7 Tips om te verdienen aan vergrijzing

Voor de financiële crisis leek de krapte op de arbeidsmarkt nijpend te worden. Inmiddels begint de rook van de crisis enigszins op te trekken en zal dat probleem weer toenemen. Het gevolg is dat u uw oudere werknemers langer in dienst moet houden, of dat u meer oudere werknemers in dienst moet nemen. Dus zetten wij zeven tips op een rij om te verdienen aan de vergrijzing.

Tip 1: Ruim een misverstand uit de weg
Eerst even een misverstand uit de weg ruimen: oudere werknemers zijn niet minder productief dan jongere werknemers. Sterker nog: rond de vijftig zijn mensen het meest productief. Dat concluderen de wetenschappers Ton Wilthagen en Sonja Bekker van de Universiteit van Tilburg op HR Praktijk (10-09-2008). De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat de piekleeftijd bij vorige generaties nog tussen het 40ste en 45ste levensjaar lag. Maar de leeftijdsgrens waarop mensen nog makkelijk dingen aan kunnen leren schuift dus op, aldus de onderzoekers. Dat u het even weet.

Tip 2: Verdien 19.500 euro
Over tot de orde van de dag. Als u binnenkort (weer) personeel aan moet nemen, dan kunt u dus – qua productiviteit – makkelijk iemand aannemen van boven de 50 jaar. Vooral iemand in dienst nemen die ouder is dan 50 jaar en die direct voor de indiensttreding een uitkering ontving (WW, IOW, wachtgeld, WAO, WIA, Wajong, bijstand, etc.) is lonend: Bij een werkweek van 36 uur of meer namelijk, krijgt u € 6.500 korting per jaar op de premie werknemersverzekeringen voor deze werknemer.
Hier kunt u zelfs 3 jaar lang gebruik van maken. Dat is maar liefst 19.500 euro.

Tip 3: Verdien 8.250 euro
Andere mogelijkheid. Als u iemand aanneemt van 62 jaar of ouder dan krijgt u, ongeacht de voorgaande situatie, een korting op de premie werknemersverzekeringen van € 2.750 per jaar bij een werkweek van 36 uur of meer. Dit geldt tot de werknemer 65 wordt. Dat is dus ook drie jaar, en totaal wel 8.250 euro.

Tip 4: Gebruik de regelingen na elkaar
Let wel op: bij de twee hiervoor genoemde regelingen geldt dat indien de werkweek korter is dan 36 uur die premie evenredig verminderd wordt. Dus bij een 18-urige werkweek krijgt u maar 50% van de korting. Daarnaast kunt u deze regelingen niet tegelijk gebruiken, maar wel na elkaar. Meer informatie hierover kunt u vinden bij de Belastingdienst en UWV.

Tip 5: Pak vergrijzing nu aan met beleid
Maar u kijkt als ondernemer natuurlijk verder dan de dag van vandaag. Dat moet u ook gaan doen om de vergrijzing aan te kunnen als bedrijf. Het begint er op te lijken dat iedereen langer door moet werken. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat werknemers van zestig jaar en ouder gemiddeld zes maal zo veel kans hebben om arbeidsongeschikt te worden als werknemers van 25 jaar. Een gemiddelde instromer in de WIA kost u zo'n € 150.000 (Bron: HR Rendement, 23 augustus 2010). De vergrijzing kan dus een enorm effect hebben op bijvoorbeeld het arbeidsongeschiktheidsrisico in uw onderneming. U moet daarover nu dus al nadenken. Net als over mogelijke aanpassing van de pensioenregeling, want het werkgeversdeel is leeftijdsafhankelijk. U betaalt dus meer voor werknemers die langer doorwerken (en een hoger salaris ontvangen).

Tip 6: Betaal uw oudere werknemer minder
En over hoger salaris gesproken. Veel ouderen voelen zich nog fit genoeg om enkele jaren door te werken. In sommige gevallen - omdat een oudere werknemer minder productief kan worden en toch veel kan kosten - kan demotie uitkomst bieden voor een ondernemer (Uit: Demotie om vergrijzing op te vangen, van drs. Brenda de Jong, HR Praktijk.nl). Demotie wil zeggen: Verplaatsing van een hogere functie naar een lagere (het omgekeerde van promotie). De gemakkelijkste weg is dat u als ondernemer bij demotie het oude salaris handhaaft, maar soms kunt u gezamenlijk besluiten tot een verlaging van het salaris.

Tip 7: Ga overbelasting van uw oudere werknemer tegen
Die verlaging van het salaris kan, volgens De Jong, zelfs het werkplezier en de gezondheid van een oudere werknemer bevorderen. Vreemd? Nee, dat is omdat hij of zij niet tot het einde van de loopbaan op zijn tenen hoeft te lopen. Daarbij biedt langer doorwerken uw oudere werknemer ook nog eens de mogelijkheid om extra pensioen op te bouwen. En voor de werkgever op zijn beurt is een combinatie van demotie en langer doorwerken aantrekkelijk omdat hij zo het eventuele personeelstekort door de vergrijzing op kan vangen. Uiteraard is het essentieel in dit verhaal, aldus De Jong, dat u en de betreffende werknemer demotie zien als een gezonde, preventieve maatregel om overbelasting tegen te gaan, en niet te zien als een straf.
En tot slot nog dit: Als er over ouderen en werk wordt geschreven en gesproken valt vaak de term ‘grijze druk’. De term staat voor de verhouding tussen het aantal personen van 65 jaar en ouder, en het aantal personen in de zogenaamde 'productieve leeftijdsgroep' van 20-64 jaar. Gemiddeld is in Nederland de grijze druk 24,5%. Tot met 2025 zal - volgens de studie Regionale bevolkings - en allochtonenprognose 2005-2025 - de gemiddelde grijze druk in Nederland tot 36% oplopen. Dit betekent dat op elke honderd potentiële arbeidskrachten 36 65-plussers zijn. Vijftig jaar geleden waren dit er nog veertien. Maar houdt altijd in uw hoofd dat vrijwel iedereen, zowel werknemers als werkgevers, ongeveer hetzelfde beeld van ouderen heeft: ouderen zijn betrouwbaar, betrokken, nauwkeurig, sociaal vaardig en klantgericht. Dus doe er u voordeel mee.

Stand van zaken rond herverzekerde pensioenfondsen

Een groot aantal pensioenfondsen heeft zijn risico’s geheel of gedeeltelijk herverzekerd bij een verzekeraar. Het enige risico dat een volledig herverzekerd fonds zelf draagt is het risico dat de verzekeraar failliet gaat, het zogenoemde kredietrisico.
De Ministerraad is op vrijdag 26 november akkoord gegaan met een voorstel van Minister Kamp het financieel toetsingskader pensioenfondsen voor de groep herverzekerde fondsen te vereenvoudigen. Dit voorstel wordt nu voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Nadat het advies van de Raad van State ontvangen en verwerkt is, kan de aanpassing in werking treden. De aanpassing van de regels van het financieel toetsingskader houdt in dat herverzekerde fondsen - voor het herverzekerde deel - geen rekening hoeven te houden met het kredietrisico op de verzekeraar bij:
- de berekening van het vereist eigen vermogen en
- de berekening van de waarde van de vordering van het fonds op de verzekeraar. De vordering hoeft niet te worden verlaagd vanwege het kredietrisico van de verzekeraar. Via de nieuwsbrief houden wij u op de hoogte van de ontwikkelingen. Zodra de wetgeving definitief wordt ontvangen de betreffende pensioenfondsen hierover individueel bericht. Het is belangrijk dat het fonds te zijner tijd alle belanghebbenden goed informeert over het buiten beschouwing laten van het kredietrisico.

Q&A premiestelling 2011

Waarom geeft DNB pensioenfondsen de mogelijkheid om voor de premiestelling voor 2011 af te wijken van de eis dat de premie moet bijdragen aan het herstel (premiedekkingsgraad minimaal 105%)?
Door de verbeterde levensverwachting en de lage rente zijn de pensioenkosten het afgelopen jaar sterk gestegen. Voor een aantal fondsen in dekkingstekort leidt dit tot een forse premiestijging als zij ook in 2011 moeten voldoen aan de eis van een minimale premiedekkingsgraad van 105%. In 2011 geldt onverkort dat de premie tenminste kostendekkend moet zijn.Een dergelijke premiestijging is voor veel fondsen geen realistische oplossing. Om alsnog aan de premiedekkingsgraad-eis te kunnen voldoen, zijn wellicht maatregelen nodig waarvoor bijvoorbeeld de pensioenregeling moet worden aangepast. Hiervoor zijn fondsen veelal afhankelijk van sociale partners. DNB vindt het in het belang van alle betrokkenen bij de pensioenfondsen dat zij enige tijd krijgen om te kunnen bepalen welke – structurele – maatregelen zij moeten nemen om aan de premiedekkingsgraad-eis te voldoen en te komen tot een sluitende financiële opzet. Deze tijdelijke aanpassing geldt dus voor kostendekkende premies die zijn gedempt. Als ze daarbij de pensioenregeling willen aanpassen hebben ze tijd om daarover in overleg te treden met sociale
partners. Fondsen die van deze mogelijkheid gebruik willen maken dienen zich bij DNB te melden.

Kan een pensioenfonds overstappen op een gedempte premiesystematiek?
Is het een pensioenfonds toegestaan om over te stappen van een kostendekkende premie op basis van een actuele rentetermijnstructuur naar een kostendekkende premie op basis van een gedempte premie. En zo ja, welke eisen gelden bij een
dergelijke overgang?
Het antwoord daarop is dat een fonds mag overstappen van een kostendekkende premie op basis van de actuele rentetermijnstructuur naar een kostendekkende premie op basis van een gedempte premie, maar daaraan zijn wel voorwaarden verbonden. DNB verzoekt pensioenfondsen die willen overgaan op een gedempte premiesystematiek, om hun toezichthouder daarover vooraf te informeren.

Premiedemping
Op basis van artikel 128 van de Pensioenwet (Pw) of artikel 123 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb) is een fonds verplicht een kostendekkende premie vast te stellen. Daarbij is het toegestaan de kostendekkende premie te dempen. De wijze waarop de premie kan worden gedempt is nader uitgewerkt in artikel 4 Besluit FTK. Demping vindt plaats door de premie niet langer te baseren op de actuele rentetermijnstructuur, maar door hantering van a) een voortschrijdend gemiddelde van de rente of de rendementen met een maximale periode van tien jaar of b) hantering
van een verwacht rendement.

Mogelijk korten op pensioenrechten: hoe nu verder?
Wat wordt er nu verwacht van fondsen die een initiële korting in hun herstelplan hebben opgenomen ?
DNB heeft in de eerste helft van september gesprekken gevoerd met de fondsen die een initiële korting in hun herstelplan hebben opgenomen. Met deze fondsen is de afspraak gemaakt dat ze uiterlijk 1 oktober 2010 bij DNB een plan indienen waarin ze aangeven welke maatregelen ze willen nemen om op een haalbaar herstelpad te komen of waarin ze onderbouwen waarom een korting volgens het bestuur niet noodzakelijk is. De besturen van pensioenfondsen moeten zelf afwegen welke instrumenten zij inzetten om tijdig te kunnen herstellen. Het bestuur moet daarbij de
belangen van alle huidige en toekomstige belanghebbenden bij het fonds evenwichtig
afwegen. In de loop van oktober zal DNB op de plannen van de fondsen reageren. DNB toetst de plannen onder meer op haalbaarheid en een evenwichtige afweging van belangen. Uiterlijk 1 november 2010 moeten de besturen een voorgenomen besluit aan DNB voorleggen. Fondsen die willen gaan korten, moeten aangeven hoe hoog de korting zal zijn, hoe de gevolgen over de verschillende belanghebbenden verdeeld gaan worden en hoe ze betrokkenen hierover gaan informeren. Fondsen die niet korten, moeten onderbouwen dat zij op een haalbaar herstelpad zitten. Wanneer een fonds moet korten moet daarover de deelnemersraad worden geraadpleegd. Deelnemers moeten voor 1 december worden geïnformeerd. De fondsen voeren over de inhoud van de communicatie overleg met de AFM. Verder hebbben we alle fondsen waarmee we nu gesprekken voeren, gevraagd een crisisplan uit te werken waarin ze aan geven wat voor het bestuur de kritische ondergrens is qua dekkingsgraad, en hoe ze willen voorkomen dat ze daar terechtkomen. Of, wanneer ze toch in een ongewenste situatie geraken, hoe ze daar mee zullen omgaan.

Waarom moeten deze fondsen wellicht korten terwijl andere fondsen die er slechter voorstaan uitstel hebben tot 1 april 2012?
De herstelkracht van een pensioenfonds verschilt van geval tot geval. Die herstelkracht hangt onder meer samen met de opbouw van het deelnemersbestand, de inzet van andere sturingsinstrumenten zoals de premie, bijstortingen van sponsors en de verwachte rendementen. De fondsen die mogelijk op 1 januari 2011 een korting
moeten doorvoeren, hadden ten tijde van het opstellen van het herstelplan al een
kortingsmaatregel nodig om tijdig uit het dekkingstekort te komen. De ernst van de financïele situatie is bij deze fondsen al langer bekend en gecommuniceerd. Voor de overige fondsen geldt dat zij ultimo ieder jaar moeten bekijken of zij zich nog op een
haalbaar herstelpad bevinden. Wanneer dat niet het geval is, zullen ook zij maatregelen moeten nemen en wanneer er geen andere mogelijkheid is een kortingsmaatregel moeten aankondigen. Die korting hoeft pas op 1 april 2012 te worden doorgevoerd. Bij de uiteindelijke beslissing mogen de fondsen de stand van zaken ultimo 2011 nog meewegen. Dit is één van de elementen in het toezicht die is ingevoerd om te voorkomen dat er te veel wordt gestuurd op dagkoersen.

Is de situatie van de fondsen die mogelijk per 1 januari 2011 een kortingsmaatregel doorvoeren daarmee (na het effectueren van aanvullende
maatregelen) weer veilig? Hoe worden deze fondsen meegenomen in de verdere evaluatie?
Deze fondsen zullen net als alle andere pensioenfondsen op basis van de cijfers van ultimo 2010 moeten bekijken of ze zich op een haalbaar herstelpad bevinden. Wanneer dat niet het geval is moeten ze maatregelen nemen en in een uiterst geval opnieuw een kortingsmaatregel moeten aankondigen. Die eventuele kortingsmaatregel
moet per 1 april 2012 worden doorgevoerd. Het is overigens altijd de verantwoordelijkheid van het bestuur om af te wegen hoe kwetsbaar de financiële positie is, welke risico’s het fonds wil accepteren, en of het gebruik wil maken van de
volledige uitsteltermijn van vijftien maanden. DNB zal fondsbesturen op deze verantwoordelijkheid wijzen. Daarbij zullen we de pensioenfondsen behalve op de evenwichtige belangenafweging ook wijzen op het belang van het doorrekenen van
‘slecht weer scenario’s’. Fondsen zullen moeten nadenken over hun absolute ondergrens (risicoacceptatie) én daarmee rekening moeten houden in hun beleid.

DNB toetst of het herstelpad zoals omschreven in het plan haalbaar is.
Bij de beoordeling van herstelplannen wordt gekeken naar de individuele situatie van het fonds. Er wordt dus maatwerk toegepast. DNB toetst of het herstelplan concreet en haalbaar is. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar rendementsinschattingen. Ook andere zaken die van belang zijn voor het herstelvermogen zoals bijvoorbeeld de kenmerken van de pensioenregeling, premiestelling en de leeftijdsopbouw van een fonds worden meegenomen.

Wat wordt verwacht van fondsen die (opnieuw) in reservetekort of dekkingstekort raken?
Voor pensioenfondsen die bij DNB een herstelplan hebben ingediend, enige tijd uit tekort zijn geweest, maar opnieuw in tekort zijn geraakt, geldt dat al ingediende herstelplannen van toepassing blijven. Deze fondsen hoeven dus geen nieuw herstelplan in te dienen. Dit is alleen anders wanneer de in het herstelplan opgenomen
herstelmaatregelen niet meer uitvoerbaar zijn. DNB gaat er dan ook vanuit dat de fondsen die geen uitvoering meer gaven aan het herstelplan zoals dat vorig jaar bij DNB is ingediend, maar die momenteel weer in tekort verkeren, opnieuw werken met het reeds bij DNB ingediende herstelplan. Dit betreft ook de fondsen die langer dan drie kwartaaleinden uit tekort zijn geweest. Verder geldt dat pensioenfondsen die al wel een langetermijnherstelplan bij DNB hebben ingediend, maar inmiddels onder de grens van het minimaal vereist eigen vermogen terecht zijn gekomen dit direct na het ontstaan van het dekkingstekort bij DNB moeten melden. In dat geval heeft een pensioenfonds twee maanden de tijd om een kortetermijnherstelplan op te stellen en
ter instemming aan DNB voor te leggen. Voor pensioenfondsen die in een reserve- of
dekkingstekort zijn geraakt en nog niet eerder een herstelplan bij DNB hebben ingediend, geldt eveneens dat zij DNB hiervan onmiddellijk op de hoogte moeten stellen. Voor deze fondsen ontstaat in dat geval de plicht een langetermijnherstelplan
en indien sprake is van een dekkingstekort eveneens een kortetermijnherstelplan in te dienen bij DNB. De indieningstermijnen zijn twee maanden voor het kortetermijnherstelplan en drie maanden voor het langetermijnherstelplan.

Waarom worden de verplichtingen tegen marktwaarde gewaardeerd?
Sinds de introductie van het Financieel Toetsingskader voor pensioenfondsen (FTK)
dienen pensioenfondsen hun verplichtingen te waarderen tegen marktwaarde. Daarmee ontstond een consistente waardering van bezittingen en verplichtingen, een belangrijke doelstelling van het FTK. Onder het regime voorafgaand aan het FTK
was daarvan geen sprake: bezittingen werden gewaardeerd op marktwaarde, verplichtingen werden gewaardeerd op basis van een vaste rekenrente. Het hanteren van een vaste rekenrente leidde tot een situatie waarin verborgen overschotten en tekorten niet tijdig werden gesignaleerd. Door zowel de bezittingen als de verplichtingen op basis van marktwaarde te waarderen wordt dit voorkomen. Omdat
pensioentoezeggingen een hard karakter kennen, past daarbij waardering op basis van een risicovrije rente zoals de swapcurve die vrijwel kredietrisicovrij is. Marktconforme waardering biedt pensioenfondsen bovendien de gelegenheid
om de renterisico’s op een efficiënte manier af te dekken. Het is daarmee een prikkel voor adequaat risicobeheer.

Evaluatie stand van zaken herstelplannen eind 2010
Alle fondsen met een herstelplan, ook dus de fondsen die mogelijk per 1 januari 2011 moeten korten, moeten de voortgang van het herstelplan begin 2011 evalueren. Daarbij zullen al deze fondsen op basis van hun dekkingsgraad per 31 december 2010 moeten beoordelen of de ontwikkeling nog conform het beoogde herstelpad is en zo niet, welke consequenties dat heeft. Fondsen zijn verantwoordelijk voor de keuze welke instrumenten zij inzetten om het herstel te realiseren. Mocht daarbij tot een kortingsmaatregel wordt besloten, dan hoeven deze fondsen deze niet direct door te voeren, maar uiterlijk per 1 april 2012. Bij het besluit om deze maatregel al of niet door te voeren mag rekening worden gehouden met de stand van zaken ultimo 2011. DNB zal deze plannen op haalbaarheid toetsen. DNB informeert de pensioenfondsen die een herstelplan hebben ingediend tijdig over het evaluatieproces en hetgeen in dat kader van de fondsen wordt verwacht.

Groenboek: bijdrage houdbaarheid pensioenstelsel

Groenboek levert bijdrage aan houdbaarheid pensioenstelsels
Bron: Verbond van Verzekeraars - 1-12-2010

Het Verbond heeft een position paper gepubliceerd over het Groenboek Pensioenen. Volgens de brancheorganisatie levert de Europese Commissie met het Groenboek een belangrijke bijdrage aan de discussie over de houdbaarheid van pensioenstelsels. Het Verbond heeft vier aandachtspunten benoemd. Binnen Europa is pensioen al jarenlang onderwerp van discussie. Alle lidstaten kampen met vergrijzing en door de financiële crisis is de betaalbaarheid van pensioenen alleen nog maar sterker onder druk komen te staan. De Europese Commissie (EC) publiceerde daarom deze zomer een Groenboek, waarin ze haar visie op de houdbaarheid van pensioenstelsels op de langere termijn ontvouwt. Het Verbond is blij met de komst van dit Groenboek. De brancheorganisatie onderschrijft het uitgangspunt dat lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor de inrichting van hun pensioenstelsel, maar dat Europese coördinatie bij een aantal pensioenuitdagingen nodig is. Zoals bij het minder kwetsbaar maken van pensioenen. Het Verbond juicht het in dat kader ook toe dat de EC het ‘leren van elkaar' wil stimuleren - juist vanwege de grote diversiteit aan pensioenstelsels.

Vier aandachtspunten
Het Verbond ziet vier belangrijke thema's die extra aandacht behoeven. Zo vindt de brancheorganisatie het belangrijk dat het driepijlerstelsel (de Compensating Layer filosofie) in stand blijft. Het Verbond is daarbij groot voorstander van het zogeheten EET-systeem, dat in Nederland bekendstaat als de omkeerregel: de pensioenpremie is belastingvrij en de uitkering wordt belast. Als dat principe zowel in de tweede als derde pijler wordt aangehouden, wordt de consument optimaal gestimuleerd om nu al te sparen voor later.

Een tweede aandachtspunt is de invoering van pensioenregisters, dat volgens het Verbond van groot belang is om het pensioenbewustzijn te vergroten. Denemarken en Zweden hebben al zo'n pensioenregister en Nederland binnenkort ook. Het zou goed zijn als de EC stimuleert dat ook andere lidstaten zo'n register opzetten. Op die manier hebben mensen meer overzicht en wordt de vraag naar waardeoverdrachten tussen verschillende lidstaten mogelijk minder relevant.
Verder vindt het Verbond een begrijpelijke communicatie en transparantie over het pensioen van belang. In Nederland is in dat opzicht de afgelopen jaren hard aan de weg getimmerd, met de invoering van de startbrief en het Uniform Pensioen Overzicht. De invoering van een pensioenadviesdienst, zoals de EC voorstelt, gaat het Verbond echter een stap te ver.

Tot slot pleit het Verbond voor een evenwichtig solvabiliteitsregime, waarbij zekerheid en betaalbaarheid van pensioenen in balans zijn. Als alleen zekerheidsmaatstaven worden verhoogd, zonder dat iets met de betaalbaarheid wordt gedaan, bestaat het gevaar dat evenwicht uit balans raakt, aldus het Verbond.

DNB verwacht eind december een evaluatie...

... van de voortgang van de herstelplannen van pensioenfondsen.

Mogelijk moet door een aantal pensioenfondsen in 2011 worden gekort om hun financiële positie te verbeteren. Hoe gaan pensioenfondsbesturen om met deze dreiging en wat betekent dit voor het vertrouwen in het Nederlandse pensioenstelsel?
Die vragen staan centraal op een bijeenkomst op 14 december exclusief bedoeld voor bestuurders en directeuren van pensioenfondsen. Het initiatief hiertoe is genomen door SPO Connects die hiermee inzicht wil geven in verschillende visies op korten, de afwegingen die gemaakt moeten worden, mogelijke methodieken en een eerlijke lastenverdeling.
Dat zal het uiterste vergen van bestuurders, vermogensbeheerders en fondsmanagers, aldus SPO: "Zeker 340 pensioenfondsen moeten op basis van de dekkingsgraad per 31 december 2010 beoordelen of zij op koers liggen met hun herstelplan. Nu de rente zo laag is en blijft, zijn de ingediende herstelplannen voor veel pensioenfondsen niet haalbaar. Voor het eerst sinds lange tijd moet er mogelijk in 2011 gekort worden op de pensioenuitkeringen om de financiële positie van een aantal pensioenfondsen te verbeteren."

Vooruitblik 2011 voor het MKB

De Nederlandse economie herstelt en Nederlandse ondernemers zien de toekomst met vertrouwen tegemoet. Toch is de economische groei in 2011 nog matig en blijven financiële markten onrustig. En een krediet krijgen van de bank blijft moeilijk, misschien wel voorgoed. Een vooruitblik op het jaar 2011.

Positief
Uit een onderzoek onder een representatieve groep ondernemers uit het adressenbestand van BusinessCompleet.nl, bleek dat ondernemers positief zijn over de toekomst.
BusinessCompleet.nl en DHL Express vroegen de ondernemers in juli 2010 waar zij met hun bedrijven denken te staan over vijf jaar. Maar liefst 71,2 procent zei over vijf jaar te zijn gegroeid, terwijl nog geen 3 procent verwachtte te krimpen. Ruim een op de vijf ondernemers dacht stabiel te blijven. Slechts een klein deel, 2,4 procent, verwachtte de zaak te moeten sluiten, de helft daarvan wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de ondernemer.
De resultaten van dit onderzoek staan niet op zichzelf. Ook uit de Global Entrepeneurship Monitor van het EIM bleek dat ondernemers de toekomst met steeds meer vertrouwen tegemoet zien. Uit dat onderzoek bleek zelfs dat het aantal ondernemers dat verwacht binnen vijf jaar met 20 of meer werknemers te zijn gegroeid, verdubbelde in een jaar.

MKB banenmotor komende jaren
In het onderzoek van BusinessCompleet.nl en DHL Express werd de ondernemers ook gevraagd naar hun verwachtingen ten opzichte van het personeelsbestand. Van alle geïnterviewde ondernemers verwacht de helft (50,5 procent) dat het aantal personeelsleden de komende 5 jaar gelijk zal blijven. Maar een forse 40,8 procent van de ondernemers verwacht dan meer werknemers in dienst te hebben dan nu. Slechts 3,5 procent verwacht een daling van het aantal personeelsleden. Daarmee ziet het er naar uit, dat het mkb in de komende jaren opnieuw de banenmotor van de Nederlandse economie zal zijn.

Werkgelegenheid groeit
Op het gebied van werkgelegenheid doet de Nederlandse economie het momenteel al goed. De werkgelegenheid groeit en de werkloosheid daalt. Dat is een flinke meevaller in vergelijking met de sombere voorspellingen van het Centraal Planbureau een jaar geleden. Het is ook een opsteker voor de overheid, die immers opdraait voor de werkloosheidsuitkeringen.

Werk leidt tot productiegroei
De werkgelegenheidsgroei zorgt voor een groei van de productiviteit. Tijdens het Export Event op 25 november 2010 in Rotterdam (verslag) legde topeconoom Sweder van Wijnbergen uit dat de combinatie van groeiende exportmarkten en groei van de binnenlandse productiviteit, betekent dat snelle groei onderweg is voor de Nederlandse economie.

Keren de looneisen terug?
Maar dit heeft wel een keerzijde. Volgens Van Wijnbergen kan de Nederlandse economie al tegen het einde van 2011 opnieuw te maken krijgen met krapte op de arbeidsmarkt. Als dat zo is, wordt het lastig om, zoals het kabinet wil, de loonontwikkeling op nul te houden.

Economische groei matig
Volgens de belangrijkste instituten die de ontwikkeling van de economie voorspellen, groeit de Nederlandse economie volgend jaar matig. Het CPB rekent in zijn Macro-Economische Verkenning 2011 (september 2010) op een groei van 1,5 procent. Ook Eurostat houdt het voor Nederland op 1,5 procent in 2011. Nederland blijft daarmee iets achter bij het Europese gemiddelde van 1,7 procent. Voor 2012 verwacht Eurostat een groei van 1,7 procent voor Nederland, opnieuw iets minder dan het Europese gemiddelde van 2,0 procent. De meest recente voorspelling is die van De Nederlandse Bank van 3 december. Die stemt overeen met de andere voorspellingen, maar is een fractie positiever voor 2011: 1,6 procent groei.

Export is de motor
Uit cijfers van het CBS en het CPB blijkt dat de Nederlandse economie momenteel getrokken wordt door de export. De landen waarnaar wij exporteren groeien weer. Vooral Duitsland, onze grootste handelspartner, heeft in 2010 een opmerkelijk herstel laten zien. De Duitse economie groeide in het derde kwartaal met 0,7 procent, en ten opzichte van een jaar eerder met een mooie 3,9 procent. Ook China, waarnaar wij steeds meer exporteren, groeit opnieuw fors. Economen verwachten dat de gezonde groei van onze exportmarkten ook de Nederlandse economie verder op stoom zal brengen. Daarnaast zal de binnenlandse vraag in de komende jaren weer op gang komen.

Financiële markten onzeker
Tegenover de positieve factoren staat de blijvende onrust op de financiële markten. Aandelenkoersen zwiepen op en neer, de euro-dollarkoers is onrustig en binnen het Eurogebied komen er hele landen in moeilijkheden. Na Griekenland en Ierland verwachten veel economen dat ook Portugal in de problemen zal komen. Dichter bij huis loopt ook in België de rente op, doordat het vertrouwen van de markten in België afneemt. De reden daarvan is de hoge Belgische staatsschuld, in combinatie met het feit dat het land van Vlamingen, Walen en Brusselaars een half jaar na de verkiezingen nog altijd geen regering heeft. Door de nervositeit van de financiële markten blijven ook de banken vooralsnog nerveus. De bezuinigingen van de overheid hebben ook op korte termijn een negatieve invloed op de economische groei. Op langere termijn is het effect hiervan overigens positief.

Kredietverlening blijft probleem
Het is nog altijd moeilijk voor het mkb om een krediet te krijgen van de bank. Zelfs voor goede projecten waarvoor u in een andere tijd meteen krediet had gekregen. Economen voorspellen dat dit probleem voorlopig niet wordt opgelost. Sweder van Wijnbergen zei op het Export Event zelfs, dat financiering voor het mkb nooit meer vanzelfsprekend zal zijn. Hij wijt dit aan de aanpak van de bankencrisis, die in Europa minder grondig was dan in de VS. Hierdoor zijn Europese banken volgens hem zwak, zenuwachtig en ondergekapitaliseerd. Financiële managers van bedrijven moeten integraal bij investeringen betrokken worden, om flexibele oplossingen te vinden voor het gebrek aan financiering bij de bank.

Ondernemersinkomen fractie hoger
Het EIM verwacht dat de koopkracht van ondernemers in 2011 een fractie stijgt, nadat dga’s er in 2010 op achteruit gingen. Het netto besteedbaar inkomen van dga’s zal in 2011 stijgen naar € 43.360 gemiddeld. Gecorrigeerd voor inflatie is dit een stijging van 0,25%. De koopkracht van zelfstandigen zal in 2011 toenemen met 0,75% tot € 28.710.

Voorkeuren van pensioendeelnemers

Werknemers zijn bereid fors hogere premies te betalen voor een gegarandeerde pensioenuitkering. Zij lijken meer waarde te hechten aan een gegarandeerd pensioen dan aan bijvoorbeeld handhaving van de pensioenleeftijd op 65 jaar. Dit blijkt uit een recente peiling onder de Nederlandse bevolking met het DNB Household Survey. Werknemers koesteren te optimistische verwachtingen over hun toekomstige pensioenuitkering, is een andere uitkomst van het onderzoek.

Betalingsbereidheid en de behoefte aan zekerheid is groot
Hoewel uit eerdere enquêtes bleek dat werknemers pensioenzekerheid belangrijk vinden, is veel minder bekend of en hoeveel werknemers voor deze zekerheid willen betalen. Veel werknemers zeggen in de meest recente peiling bereid te zijn fors hogere pensioenpremies te betalen om de zekerheid van de pensioenuitkering te verhogen. Zo geeft bijna twee op de drie werknemers aan bereid zijn te zijn om 50 euro extra pensioenpremie te betalen van iedere 1000 euro aan loon. Dit komt grosso modo overeen met een toename van de gemiddelde pensioenpremie van 15 procent van de bruto loonsom naar 20 procent. Ook de betalingsbereidheid voor een pensioen ter hoogte van 70 procent van het laatstverdiende inkomen is groot. Afgaande op de enquêteresultaten is 55 procent van de werknemers bereid om 50 euro extra pensioenpremie te betalen van iedere 1000 euro aan loon als dat is nodig om een pensioeninkomen van circa 70 procent van het laatstverdiende inkomen mogelijk te maken. De betalingsbereidheid voor handhaving van de pensioenleeftijd op 65 jaar is lager. Vertaald naar nieuwe pensioencontracten betekent dit dat contracten met hoge garanties de voorkeur krijgen boven contracten die veel beleggingsrisico’s bij de deelnemers leggen. Werknemers lijken meer te zien in het aanpassen van de premies en wellicht de pensioenleeftijd dan in het onzeker maken van pensioenaanspraken. Bij deze bevindingen moet worden opgemerkt dat de daadwerkelijke bereidheid om hogere premies te betalen pas blijkt wanneer de werknemer het in de portemonnee voelt. Niettemin geven de uitkomsten een duidelijke richting aan.

Optimistische verwachtingen
Momenteel wordt een brede discussie gevoerd over nieuwe pensioencontracten. Ondanks de pensioendiscussies gaan veel werknemers er nog steeds van uit dat zij met een grote mate van zekerheid een aanzienlijke pensioenuitkering zullen ontvangen. Gemiddeld verwachten zij dat de uitkering tussen 67 en 80 procent van het laatstverdiende inkomen zal liggen. Berekeningen van de AFM laten zien dat een pensioenverwachting van circa 70 procent van het laatstverdiende inkomen voor veel mensen niet realistisch is. Werknemers koesteren dus te optimistische verwachtingen ten aanzien van hun pensioen. Ook nieuwe pensioencontracten moeten in de ogen van werknemers een hoog ambitieniveau bevatten: een meerderheid wil een ambitie van 70 procent of meer van het laatstverdiende inkomen. De enquête brengt tevens in kaart op welke leeftijd werknemers van plan zijn met pensioen te gaan. De uitkomsten laten zien dat werknemers anticiperen op een verhoging van de pensioenleeftijd. Gemiddeld over alle werknemers ligt de verwachte pensioenleeftijd op 65 jaar, maar veel werknemers onder de 50 jaar gaan ervan uit dat zij op 67-jarige leeftijd of later met pensioen gaan.

Nominale garanties en reële ambities
Wij hebben geïnformeerd naar de gewenste minimumgaranties in een pensioencontract dat een zekere minimale uitkering bevat met daarbovenop een uitkering die afhangt van de resultaten van het pensioenfonds zodat de beleggingsrisico’s voor rekening van de deelnemers komen. Werknemers die deze vraag beantwoorden hebben een duidelijke voorkeur voor een hoge garantie: 94 procent wil een garantie van 50 procent of meer van het laatstverdiende inkomen, zeven op de tien wil 70 procent of meer gegarandeerd zien. Het gemiddelde is gelijk aan 70 procent. In combinatie met de pensioenambitie van 70 procent, betekent dit deelnemers feitelijk het liefst de hele pensioenuitkering gegarandeerd willen zien. Kanttekening hierbij is dat niet duidelijk is of zij beseffen dat de huidige pensioencontracten nominale garanties proberen na te streven en dat reële garanties kostbaar zijn. Dit is belangrijk omdat nominale garanties maar een beperkte waarde hebben en uiteindelijk de koopkracht van de uitkering relevant is voor pensioendeelnemers. Als werknemers moeten kiezen tussen nominale garanties of onzekere reële ambities, komt geen duidelijke voorkeur naar voren. Dit kan samenhangen met het feit dat de gevolgen van inflatie vaak worden onderschat. Gepensioneerden rapporteren wel vaker een voorkeur voor reële ambities boven een nominale garantie en tonen zich daarmee meer bewust van het belang van inflatie voor de koopkracht van de pensioenuitkering.

Intergenerationele solidariteit belangrijk
Als pensioenrechten neerwaarts worden aangepast, hebben gepensioneerden weinig mogelijkheden om in reactie hierop extra inkomen te verwerven. Jongeren kunnen gemakkelijker reageren door meer te sparen of langer door te werken. Dit kan een argument zijn om in nieuwe pensioencontracten ouderen meer zekerheid te bieden dan jongeren, bijvoorbeeld door een groter deel van het beleggingsrisico te laten neerslaan bij jongeren (zowel bovengemiddelde positieve als negatieve rendementen). Tegen deze achtergrond is het belangrijk te weten hoe deelnemers aankijken tegen intergenerationele solidariteit. Deze solidariteit staat onder druk. Niettemin hecht de meerderheid van de Nederlandse bevolking sterk aan solidariteit, zij het dat die dan wel van twee kanten moet komen. Veel ouderen vinden het redelijk dat zij een bijdrage leveren aan de oplossing van de pensioenproblematiek; jongeren vinden relatief vaak dat zij al een groot deel van de vergrijzingrekening betalen.

Steun voor meer keuzevrijheid
Het verplicht sparen voor het pensioen staat wat de deelnemers betreft niet ter discussie. Een grote meerderheid ziet de voordelen hiervan in en erkent dat zij anders mogelijk te weinig geld opzij zou leggen of is blij zich hier niet mee bezig te hoeven houden. Wel heeft de pensioencrisis het vertrouwen in pensioenfondsen aangetast. De meerderheid van de werknemers is voorstander van meer zeggenschap over de pensioenopbouw (al geldt dit minder voor de hoger opgeleiden). Zo staan werknemers weliswaar terughoudend tegenover het nemen van beleggingsbeslissingen, maar bestaat -als de beleggingsrisico’s toch bij de deelnemers komen te liggen - wel enige steun voor een opzet die het mogelijk maakt uit een beperkt aantal duidelijk gespecificeerde beleggingsprofielen te kiezen.

Alles over het Belastingplan 2011

Vorige week ging de Eerste Kamer op de valreep akkoord met het Belastingplan 2011. De regering wil met deze maatregelen vooral ook het ondernemerschap bevorderen. Daarom zet de redactie van Businesscompleet.nl de 8 belangrijkste maatregelen van het Belastingplan 2011 voor ondernemers op een rij.

Het belastingplan kwam de laatste weken vooral in het nieuws vanwege de protesten tegen de btw-verhoging op podiumkunsten. Vooral het debat daarover in de Eerste Kamer zorgde voor nogal wat beroering in de politiek. Uiteindelijk deed staatssecretaris Weekers de concessie dat
het onderdeel btw-verhoging op podiumkunsten pas op 1 juli 2011 zou ingaan.

Laatste toezeggingen
Maar staatssecretaris Weekers deed nog een aantal toezeggingen (Bron: eerstekamer.nl). Zo gaat hij in overleg met de sector om alternatieven te zoeken voor de heffingskortingen op groene en maatschappelijke investeringen. Ook beloofde hij (op het gebied van de giftenaftrek) dat de beperking van de aftrek niet ten koste mag gaan van verenigingen die een sociale functie vervullen in kleine gemeenschappen. De staatssecretaris was ook bereid om de vrijstelling van winstbelasting voor woningcorporaties die zich met ouderenhuisvesting bezighouden een jaar langer te handhaven. En, belangrijk voor ondernemers, op korte termijn wil de staatssecretaris oneffenheden in de fiscale benadering van bedrijfsopvolgingen wegnemen.

1. Winstbelasting voor mkb omlaag
Per 1 januari 2011 wordt het tarief voor de vennootschapsbelasting met 0,5% verlaagd van 25,5 procent naar 25 procent. Daarnaast gaan kleine en middelgrote bedrijven minder belasting betalen over hun winst.

In het Belastingplan staat dat het tarief in de vennootschapsbelasting, over de eerste 200.000 euro winst die een bedrijf boekt, structureel zal worden verlaagd naar 20%.

Dit tarief van 20% over de eerste 200.000 winst - ook wel het mkb-tarief genoemd - werd al in 2009 ingevoerd als tijdelijke crisismaatregel. Maar dit tarief wordt nu structureel. Kleinere bedrijven zijn gebaat bij verlaging van de tarieven. Het voordeel voor afzonderlijke ondernemingen over de eerste 200.000 euro winst bedraagt 8050 euro. Met deze verlaging van de belasting wil de regering twee vliegen in een klap slaan: het moet de stap om zelfstandig ondernemer te worden aantrekkelijker maken en het moet Nederland aantrekkelijker maken als vestigingsland.

2. Btw-kwartaalaangifte definitief
Sinds juli 2009 kon voor de btw gekozen worden tussen maand- of kwartaalaangifte en -afdracht. Deze mogelijkheid ontstond in 2009 als crisismaatregel. Vanwege het succes wordt deze tijdelijke regeling structureel. Vanaf 2011 kunnen ondernemers hun btw-aangifte dus altijd per kwartaal blijven doen. De kwartaalaangifte betekent een liquiditeitsimpuls voor het bedrijfsleven van enkele miljarden euro. Wie per kwartaal aangifte doet, heeft gedurende het kwartaal meer geld in kas en is minder tijd kwijt aan zijn administratie. Uiteraard betalen deze ondernemers net zo veel belasting als ondernemers die de aangifte per maand regelen.

3. Verlenging regeling versnelde afschrijving
Met de belastingregeling tijdelijke willekeurige afschrijving (TWA) mag u nieuwe bedrijfsmiddelen versneld afschrijven. Hiermee brengt u de winst omlaag, waardoor u minder belasting betaalt. Deze tijdelijke regeling voor versnelde afschrijving op investeringen in bedrijfsmiddelen wordt met een jaar verlengd. Dat wil zeggen dat u - net als in 2009 en 2010 - ook voor het jaar 2011 fiscaal versneld mag afschrijven op investeringen in bepaalde nieuwe bedrijfsmiddelen Dit betekent dat u investeringen die u in 2011 doet in 2 jaar volledig versneld kunt afschrijven.

Alle bedrijfsmiddelen vallen onder de regeling, met uitzondering van gebouwen, grond, weg- en waterbouwkundige werken, bromfietsen, motorrijwielen en personenauto's (behalve taxi's en zeer zuinige personenauto's), dieren en immateriële activa, zoals software. U moet wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo mag het bedrijfsmiddel niet eerder zijn gebruikt en mag u niet meer afschrijven dan het bedrag van de investering of de kosten voor de voortbrenging.

4. Verlenging verruiming achterwaartse verliesverrekening
De tijdelijke verruiming van de achterwaartse verliesverrekening in de vennootschapsbelasting wordt met een jaar verlengd. Dat wil zeggen dat bedrijven een verlies niet één, maar drie jaar terug kunnen verrekenen met de belastingen. Als u voor deze verruiming kiest dan moet u er mee akkoord gaan dat het vooruitwentelen van verliezen wordt beperkt van 9 jaar naar 6 jaar. Bovendien mag u niet meer dan 10 miljoen euro verlies per jaar terugwentelen.

5. Verruiming fiscale ondersteuning WBSO gaat door
De verruiming van de fiscale ondersteuning van speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) volgend jaar wordt ook volgend jaar voortgezet. Het tarief van de eerste schijf wordt verlaagd van 50 procent (2010) naar 46 procent (2011). Bij een speur- en ontwikkelingswerkloon (S&O-loon) van 220.000 euro heeft u dus recht op 101.200 euro afdrachtvermindering WBSO. Het tarief van de tweede schijf daalt van 18 procent (2010) naar 16 procent (2011). Deze tweede schijf loopt van 220.000 euro naar een plafond van 11 miljoen euro ( 2010: 14 miljoen euro). Alles wat onder de WBSO valt komt ook nog steeds in aanmerking voor de innovatiebox.

6. Verlenging verruiming mkb-kredieten
De verruimingen van de garantieregelingen Borgstelling mkb-kredieten (BMKB), Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) en Regeling groeifaciliteit worden met 1 jaar verlengd tot en met 2011. De garantieregelingen zorgen ervoor dat bedrijven die gezond zijn voldoende toegang hebben en houden tot de kapitaalmarkt. De garantstelling van de staat moet ervoor zorgen dat banken minder huiverig zijn om bedrijven kredieten te verstrekken. Door de garantstelling lopen banken immers minder risico, omdat leningen die niet meer kunnen worden terugbetaald voor de helft door de overheid worden vergoed.

Ondernemers in het mkb kunnen een borgstelling krijgen voor een gedeelte van een krediet. Daardoor kunnen zij bij de bank meer lenen dan zij op basis van hun onderpand zouden krijgen. De bank kan bij de overheid een beroep doen op de Borgstellingregeling mkb-bedrijven. De overheid staat voor maximaal € 1,5 miljoen garant. Voor starters is dit € 200.000. In de meeste gevallen staat de overheid voor 45% van het krediet garant. Voor innovatieve bedrijven is dit 60%. Voor starters en bestaande mkb-bedrijven is het garantiepercentage 80% voor kredietbedragen tot € 250.000 (Bron: antwoordvoorbedrijven.nl).

Voor een borgstelling gelden wel voorwaarden. Zo kan uw bedrijf de bank geen onderpand bieden, heeft uw bedrijf een gunstig toekomstperspectief en is het krediet niet bestemd voor een project of een belegging. Ook moet u zelf voor 25% borg staan als u als eigenaar meer dan de helft van het ondernemingskapitaal bezit.

7. Werkkostenregeling gaat van start
Op 1 januari 2011 gaat de werkkostenregeling in. Deze regeling vervangt het huidige systeem van onbelaste vergoedingen en verstrekkingen, zoals voor reiskosten, werkkleding, kerstpakketten en voor de mobiele telefoon. Met deze nieuwe werkkostenregeling heeft een ondernemer minder administratie.

In het kort gezegd komt het hier op neer dat er een vrijstelling komt van 1,4% van de fiscale loonsom: de zogenoemde vrije ruimte. Dat betekent dat de werkgever vrij is om tot een maximum van 1,4% van het loon onbelast vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers te realiseren. Komt een werkgever boven dit budget, dan is hij over het meerdere 80 procent eindheffing verschuldigd. Als het goed is zorgt deze regeling voor veel lagere administratieve lastendruk. De ingangsdatum van de nieuwe werkkostenregeling is 1 januari 2011. Maar werkgevers hoeven niet direct over te stappen. Voor de jaren 2011, 2012 en 2013 kunnen werkgevers nog jaarlijks kiezen wanneer ze overstappen.

8. Fiscale koopkrachtmaatregelen
Ook bevat het Belastingplan diverse Fiscale koopkrachtmaatregelen. Ter compensatie van de hogere zorgpremies gaat in 2011 het tarief in de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting omlaag en worden de belastingschijven verruimd. Om participatie te stimuleren wordt de arbeidskorting verhoogd, werken wordt daarmee lonender.