Actueel

Verplichte acties bij ziekmelding werknemer

Een zieke medewerker bezorgt u hoe dan ook extra werk. Niet alleen moet u de werkzaamheden van de zieke opvangen, maar er komen ook direct verplichtingen om de hoek kijken. Of het nu een eenvoudig griepje betreft of iets ernstiger, er wordt verwacht dat u in actie komt. Een overzicht van uw verplichtingen.

• Uiterlijk in achtste week plan van aanpak
• U kunt zelf casemanager zijn
• Evalueer de re-integratieplannen

In de Wet verbetering Poortwachter is vastgelegd dat u in de eerste twee jaar van ziekte alle mogelijkheden moet aanwenden om een zieke medewerker terug op de werkvloer te krijgen. Afhankelijk van uw afspraken met de verzekeraar speelt u daar een belangrijke rol in. Als u dit niet doet, dan kan het UWV u beboeten met een extra periode loondoorbetalingsverplichting.

De regels
In grote lijnen gelden de volgende regels:
- De ziekmelding van uw medewerker wordt tijdig bij de arbodienst of bedrijfsarts
gedaan.
- U en de bedrijfsarts of arbodienst overleggen minimaal eens in de zes weken met
de zieke medewerker over mogelijkheden om weer aan de slag te gaan.
- Als de werknemer bijna zes weken ziek is, volgt er een gesprek met de bedrijfsarts.
- De arts stelt een probleemanalyse op met een re-integratieadvies.
- Uiterlijk in de achtste week van ziekte stelt u samen met de zieke medewerker een
plan van aanpak op voor herstel en re-integratie. U wijst dan ook een casemanager aan die het plan helpt uitvoeren. In het plan van aanpak staat beschreven wat de mogelijkheden van de zieke werknemer op de lange termijn zijn. Ook staan er alle afspraken over herstel, re-integratie en de werkhervatting in.

Evaluatie
Het is belangrijk dat alle afspraken en stappen geëvalueerd en zo nodig bijgesteld worden.
- De casemanager bewaakt de afspraken en de te nemen acties en zorgt voor een goede samenwerking. U kunt zelf casemanager zijn, maar dit kan ook iemand van de arbodienst of het re-integratiebedrijf zijn.
- U probeert eerst aan re-integratie binnen uw eigen bedrijf te werken. Als dit niet lukt, dan kunt u de medewerker bij een andere onderneming proberen te re-integreren.
- U legt alles wat u heeft overlegd en afgesproken met de zieke medewerker vast
in een dossier. Dit is het re-integratiedossier. De medische gegevens van uw zieke
medewerker komen niet in dit dossier.
- In de 42e week van de ziekte geeft u de ziekmelding aan het UWV door. De herstelmelding is komen te vervallen. Wie een zieke medewerker te laat aanmeldt bij het UWV, kan rekenen op een boete van het UWV.
- Uiterlijk na 52 weken evalueert u samen met de zieke medewerker het plan van
aanpak.
-
Re-integratieverslag
- Als de medewerker na twintig maanden nog niet aan de slag is, dan maakt u samen
met de medewerker een re-integratieverslag. Dit verslag gaat samen met de uitkeringsaanvraag in verband met arbeidsongeschiktheid (WIA) naar het UWV. De uitkeringsaanvraag kan tot de 89e week worden ingediend bij het UWV

Uitkering
Na twee jaar ziekte ontvangt uw deels arbeidsongeschikte medewerker die meer dan 35 procent arbeidsongeschikt is een uitkering. Voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor medewerkers betaalt u als werkgever een premie (een basispremie en een gedifferentieerde premie WGA). Dit valt onder de premie voor werknemersverzekeringen. Die premie draagt u af aan de Belastingdienst zodat het UWV de uitkeringen kan betalen.

Creatieve oplossingen
Het is te hopen dat het allemaal niet zover hoeft te komen. Goede zorgverzekeraars hebben specialisten in dienst die creatieve oplossingen kunnen aandragen om iemand weer aan het werk te helpen.







Zo zit het met de ontslagvergoeding

Naar verluidt is er weer een golf van ontslagen in aantocht. Ook zijn er weer plannen om de regels met betrekking tot de ontslagvergoeding te wijzigen. Maar voordat er daadwerkelijk regels worden gewijzigd zijn we minstens maanden verder, zo niet jaren. Voorlopig hebben we dus nog steeds te maken met de huidige regels. Wanneer moet u uw werknemer een ontslagvergoeding betalen? Een uitleg.

• Niet automatisch een vergoeding
• Leeftijd en dienstjaren tellen mee
• Werknemer kan naar rechter stappen

Een werknemer heeft niet automatisch recht op een ontslagvergoeding. Soms kan hij wel aanspraak maken op een schadevergoeding.

Wanneer is een ontslagvergoeding aan de orde?
Of uw werknemer recht heeft op een ontslagvergoeding hangt af van een aantal factoren:

• de leeftijd en het aantal dienstjaren van de werknemer;
• de reden van ontslag. Is dit veroorzaakt door u (bijvoorbeeld: de afdeling wordt opgeheven) of er valt uw werknemer een verwijt te maken (bijvoorbeeld: hij functioneert onvoldoende);
• de financiële situatie van de onderneming;
• er is wel/geen sociaal plan;
• de positie van de werknemer op de arbeidsmarkt.

Rechter beslist
Als u geen vergoeding aanbiedt bij het ontslag, zal de rechter mogelijk moeten beslissen of uw werknemer recht heeft op een ontslagvergoeding.

Of en wanneer de rechter moet oordelen over de vraag of u een ontslagvergoeding aan uw werknemer moet betalen, is afhankelijk van de keuze die u maakt over de wijze waarop u de arbeidsovereenkomst wilt beëindigen:

Een ontbindingsprocedure bij de rechter
Als u een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indient bij de rechter, dan bepaalt de rechter ook of uw werknemer een ontslagvergoeding krijgt. Het bedrag bepaalt hij met de kantonrechtersformule. De formule ziet er als volgt uit: A x B x C.
A = gewogen dienstjaren, B = bruto maandinkomen, C = correctiefactor.

Leeftijd en dienstjaren
De leeftijd en dienstjaren van uw werknemer (factor A) bepalen hoeveel bruto maandsalarissen (plus vakantiegeld en dertiende maand, factor B) uw werknemer mee kan krijgen:
• per dienstjaar tot leeftijd van 35 jaar: 0,5 maandsalaris
• per dienstjaar tussen 35 tot 45 jaar: 1 maandsalaris
• per dienstjaar tussen 45 tot 55 jaar 1,5 maandsalaris
• per dienstjaar vanaf leeftijd van 55 jaar: 2 maandsalarissen

Correctiefactor
Ten slotte wordt er nog een correctiefactor (factor C) toegepast. De correctiefactor is bij een ‘neutrale’ ontbinding gelijk aan 1. De correctiefactor is 0 als de kantonrechter van oordeel is dat op basis van de bijzondere omstandigheden van het geval de toekenning van een vergoeding niet gerechtvaardigd is. Is er sprake van verwijtbaarheid van één van de partijen dan wel van verwijtbaarheid over en weer, dan wordt via de correctiefactor de ernst van de verwijten tot uitdrukking gebracht. In de praktijk zal de correctiefactor maximaal 2 zijn.

Let op: dit is geen recht maar een richtlijn! De rechter beoordeelt altijd per geval of er omstandigheden zijn om van deze formule af te wijken.

Een ontslagprocedure bij het UWV WERKbedrijf
Als u een ontslagvergunning heeft aangevraagd en verkregen bij het UWV WERKbedrijf, dan kunt u het contract opzeggen. Uw werknemer is dan ontslagen zonder een vergoeding.
Wel kan uw werknemer binnen 6 maanden naar de rechter stappen en aanvoeren dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat hij zonder vergoeding is ontslagen. Als uw werknemer bij de rechter duidelijk kan maken dat u hem niet zonder meer had mogen ontslaan, dan kunt u door de rechter worden veroordeeld om aan uw werknemer een schadevergoeding te betalen.

Omstandigheden
De vergoeding staat niet vast. De omstandigheden die bepalen of er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag zijn van invloed op de hoogte van de vergoeding. Dat houdt in dat wordt meegewogen in welke mate de werkgever tekort is geschoten in zijn verplichting als goed werkgever te handelen. Dit wordt afgezet tegen de nadelige gevolgen voor de werknemer. Factoren zoals leeftijd, duur van het dienstverband en kansen op ander werk spelen mee in de beoordeling. De vergoeding wordt veelal begroot of geschat.









Kamerbrief over terugstortingen door pensioenfonds

Op verzoek van de Tweede Kamer heeft minister Kamp van SZW door DNB laten uitzoeken of deze over de gegevens beschikt om een betrouwbaar overzicht te kunnen opstellen van het aantal pensioenfondsen dat in de periode 1985 tot 2005 middelen heeft teruggestort aan de sponsor. In een brief aan de Tweede Kamer meldt de minister de reactie van DNB aan de Tweede Kamer.

DNB concludeert dat het op grond van de beperkte beschikbaarheid van gegevens en de problematische interpretatie ervan twijfelachtig is of over terugstortingen een zinnige uitspraak kan worden gedaan.

Reden hiervan is onder meer dat pensioenfondsen destijds niet verplicht waren om terugstortingen (of bijstortingen) apart in jaarstaten te vermelden. Ook werden destijds middelen van pensioenfondsen aangewend voor de financiering van andere arbeidsvoorwaardelijke regelingen, bijvoorbeeld vervroegde uittreding. Ten slotte waren pensioenfondsen lange tijd nog niet verplicht jaarverslagen bij de toezichthouder in te dienen, waardoor gegevens in veel gevallen ontbreken.

De conclusie van de minister is dat hij niet aan het verzoek van de Tweede Kamer voor een overzicht kan voldoen.









Afkoopgrens kleine pensioenafspraken 2012 gepublic

In de Staatscourant is de afkoopgrens voor pensioenaanspraken gepubliceerd. Minister Kamp van SZW heeft besloten dat pensioenuitvoerders per 1 januari 2012 pensioenen tot €438,44 kunnen afkopen.


Kleine pensioenaanspraken kunnen door de pensioenuitvoerder worden afgekocht. Het grensbedrag daarvoor wordt jaarlijks herzien op basis van de Consumentenprijsindex Alle Huishoudens (CPI), zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De herziening wordt bepaald door de procentuele wijziging die dat indexcijfer over de maand oktober, voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van de maand oktober van het daaraan voorafgaande jaar.







Kleine en weinig winstgevende bedrijven dragen min

   
   

De tekorten bij pensioenfondsen roepen de vraag op of bedrijven extra middelen kunnen stoppen in de pensioenfondsen. Uit onderzoek van DNB komt naar voren dat kleine en weinig winstgevende bedrijven over het algemeen minder bijdragen aan hun pensioenfondsen. Een hoge schuldpositie van bedrijven vermindert de bijdrage echter niet.

In Nederland staat een ondernemingspensioenfonds juridisch los van zijn bijbehorende onderneming (de 'sponsor'). Het fonds, dat wordt bestuurd door vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers die elk 50% van de stemmen hebben, beslist onder meer over de hoogte van de premies en de samenstelling van de beleggingen. De toezichthouder ziet onder andere toe op een voldoende dekking van de pensioenverplichtingen. Als de dekking onvoldoende is, moet het fondsbestuur maatregelen nemen. Mogelijke manieren om de dekking te verhogen zijn: de premies verhogen, geen indexatie toepassen of, in het uiterste geval, pensioenen verlagen. Maar soms is de onderneming bereid met een eenmalige storting in de pensioenkas de financiële nood van het fonds te lenigen. Uiteraard zal een bedrijf dat eerder doen als het zelf goed bij kas zit. Tegen deze achtergrond is het denkbaar dat de financiële positie van het pensioenfonds mede bepaald wordt door de financiële positie van de sponsor.

DNB is nagegaan of financiële en andere kenmerken van de sponsor van invloed zijn op de hoogte van de sponsorbijdragen aan de ondernemingspensioenfondsen in Nederland. Hiervoor zijn gegevens van circa 200 ondernemingspensioenfondsen met hun bijbehorende sponsors statistisch onderzocht. De uitkomsten geven aan dat kleine en weinig winstgevende ondernemingen gemiddeld genomen minder bijdragen aan de fondsen. Dit ligt voor de hand omdat zulke ondernemingen vaak minder kapitaalkrachtig zijn. Er wordt niet gevonden dat ondernemingen die zelf hoge schulden hebben ook minder bijdragen. De theoretische literatuur verklaart dit door fiscale effecten voor de onderneming: rente op schulden zijn fiscaal aftrekbaar van de winst, net als werkgeverspremies.

De uitkomsten ten aanzien van de pensioenbeleggingen laten geen significant verband zien tussen de financiële positie van de sponsor en de manier waarop het pensioenkapitaal belegd wordt. Zo worden geen significante effecten van de schuldpositie van de sponsor op de beleggingen gevonden.

Uiteraard blijken karakteristieken van pensioenfondsen zelf ook van invloed op de pensioenfinanciering en -beleggingen. Zo beleggen ondernemingspensioenfondsen met een 'defined benefit' stelsel (die verreweg het merendeel van de steekproef uitmaken) gemiddeld meer in aandelen dan fondsen met een 'defined contribution' stelsel. Bij defined benefit fondsen is de nominale uitkering in principe van tevoren bekend, terwijl bij defined contribution fondsen de uitkering mede afhankelijk is van de beleggingsuitkomsten. Grote fondsen die veel jonge deelnemers hebben en goed bij kas zitten beleggen ook relatief meer in aandelen.







Verzekeringspremie man en vrouw straks gelijk

Mannen gaan mogelijk minder premie betalen voor hun levensverzekering en vrouwen juist meer. Dat komt doordat wordt gewerkt aan uniforme verzekeringspremies. Donderdag kwam de Europese Commissie met richtlijnen voor verzekeraars bij het bepalen van de gelijke premies voor mannen en vrouwen.

De richtlijnen komen nadat het Europees Hof van Justitie in maart had bepaald dat verzekeraars bij het vaststellen van hun premie geen rekening mogen houden met het geslacht van de verzekerde omdat dit discriminatie op grond van geslacht is.







Pensioenen fors lager

De grootste pensioenfondsen in ons land zullen begin 2013 de pensioenen waarschijnlijk met vijf tot tien procent verlagen. De ingreep is nodig omdat het de pensioenfondsen niet is gelukt om aan het einde van dit jaar aan de eisen van De Nederlandsche Bank te voldoen.
   
   
   

Van de vijftig grootste pensioenfondsen hadden eind november 32 fondsen een dekkingstekort.





De gezondheidsverklaring wordt gebruikersvriendeli

De gezondheidsverklaring die bij de aanvraag van een levensverzekering of arbeidsongeschiktheidsverzekering moet worden ingevuld, wordt een stuk eenvoudiger. Deze wijziging gaat al per 1 januari 2012 in.

Er komen nu twee formulieren, één voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en één voor levenverzekeringen. Alleen vragen die van belang zijn voor het te dekken risico, worden nog gesteld. Daarnaast zijn alle vragen over de ziektevoorgeschiedenis van familieleden geschrapt. Die werden door aanvragers vaak als belastend en niet relevant ervaren. Ook de vraag naar bloedonderzoek is geschrapt. De mogelijke aidsveroorzaker HIV is ondergebracht bij de gewone ziekten.

Vorig jaar werden er naar schatting 750.000 gezondheidsverklaringen door consumenten ingevuld bij het sluiten van een levenpolis. Zo'n 25.000 mensen deden dat toen zij een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid aanvroegen.

Verzekeraars vragen een gezondheidsverklaring om het financiële risico van arbeidsongeschiktheid of overlijden te kunnen inschatten. De ingevulde vragenlijsten worden beoordeeld door een medisch adviseur van de betreffende verzekeraar.







De Nederlandsche Bank verlaagt pensioenen bij 125

De pensioenen van miljoenen Nederlanders worden in 2013 verlaagd. Dat komt doordat de Nederlandsche Bank (DNB) circa 125 fondsen dwingt de pensioenen te korten, als marktomstandigheden dit jaar niet verbeteren. De gemiddelde korting bedraagt 2,5%. DNB maximeert de korting op 7%. Niet eerder in de geschiedenis was er sprake van een verlaging van de pensioenen op zo’n grote schaal, zo concludert Het Financieele Dagblad.

"De schaal waarop dit gaat gebeuren is ongekend. Wij willen nu helderheid geven en de onzekerheid over de hoogte van de korting zo veel mogelijk wegnemen. We moeten met zijn allen de storm trotseren", aldus Joanne Kellermann namens toezichthouder DNB.
De verlaging van pensioenen treft circa 8 miljoen deelnemers, dat is 40% van het totale aantal. Hierbij zitten dubbeltellingen, omdat veel mensen pensioenpotjes bij verschillende fondsen hebben. Zowel gepensioneerden als werknemers worden getroffen. Gepensioneerden merken het direct in de pensioenuitkering die zij krijgen vanaf april 2013. Bij werknemers wordt de opgebouwde pensioenpot verlaagd. DNB mag niet zeggen om welke fondsen het gaat.







Nederlanders minder na ef over hoogte pensioen

Bijna drie op de tien Nederlanders denkt minder dan 70% van het laatstverdiende loon te krijgen bij pensionering. In 2009 had nog slechts één op de tien Nederlanders deze realistische inschatting van de hoogte van zijn pensioen.

Verwachtingen over de hoogte van het pensioen worden dus langzaam aan realistischer, al denkt nog steeds een meerderheid 70% of meer te gaan ontvangen. Dit blijkt uit recent consumentenonderzoek van de AFM. Steeds meer mensen zijn zich ervan bewust dat pensioen niet waardevast is. In het voorjaar van 2011 dacht nog 42% dat zijn pensioen meestijgt met prijsstijgingen, in het najaar van 2011 is dit gedaald naar 18%. Toch maakt slechts een beperkt aantal mensen (15%) zich zorgen over zijn of haar pensioen.
Bijna drie miljoen mensen raadpleegden het afgelopen jaar op www.mijnpensioenoverzicht.nl hun AOW en werknemerspensioen. Sinds november 2011 is ook de hoogte van het netto pensioen te zien. Na de succesvolle lancering namen het afgelopen halfjaar de naamsbekendheid (eenderde kent de site niet) en gebruik (een kwart heeft wel eens ingelogd) van het pensioenregister niet verder toe.
De AFM is warm pleitbezorger van een pensioenbijsluiter: een document dat op hoofdlijnen inzicht geeft in de kwaliteit van een pensioenregeling en een deelnemer in staat stelt om pensioenregelingen eenvoudig met elkaar te vergelijken. Bijna de helft van de consumenten (45%) zegt een pensioenbijsluiter te gaan gebruiken, bijvoorbeeld bij de beslissing over waardeoverdracht bij het wisselen van baan.









Aegon: Laat ZZP"er collectief pensioen opbouwen in

Uit onderzoek van de Vrije Universiteit in Amsterdam blijkt dat zelfstandigen zonder personeel (ZZP’ers) collectief pensioen moeten kunnen opbouwen. Volgens het Expertisecentrum Pensioenrecht staat Europees recht de vorming van een premiepensioeninstelling (PPI) voor ZZP’ers toe. Wel is er in Nederland een aanpassing van de wet voor nodig. Het onderzoek is gedaan op verzoek van Aegon. De verzekeraar gaat pleiten voor aanpassing van de wet.

ZZP’ers hebben niet dezelfde mogelijkheden als werknemers in loondienst om pensioen op te bouwen. Zij kunnen zich nu alleen als individu verzekeren. Een collectieve opbouwmogelijkheid kan financieel voordelig zijn en de deelnemer meer invloed geven op de inhoud van de pensioenregeling. Aegon is er voorstander van dat ZZP’ers keuzevrijheid hebben in hun pensioenopbouw, bijvoorbeeld door deelname aan een premiepensioeninstelling. Sinds 1 januari 2011 kunnen pensioenregelingen van werkgevers en werknemers uitgevoerd worden in de PPI, maar voor ZZP’ers staat die mogelijkheid niet open.

Aanpassing Wft voldoende

Aegon heeft het Expertisecentrum Pensioenrecht van de VU onderzoek laten doen naar deze problematiek. De onderzoekers komen tot de conclusie dat de Europese regelgeving toetreding van ZZP’ers tot een PPI mogelijk maakt. Een aanpassing in de Wet op het financieel toezicht (Wft) zou al voldoende zijn. Aegon zal de minister vragen de Wft op dit punt aan te passen. Dan kan de ZZP’er in ieder geval in de derde pijler van het pensioenstelsel via de PPI pensioen opbouwen. Daarnaast pleit Aegon ervoor om ZZP’ers de mogelijkheid te bieden in de tweede pijler pensioen te laten opbouwen. Als ook deze horde wordt genomen, zijn alle wettelijke en fiscale belemmeringen voor een volwaardige pensioenopbouw door ZZP’ers weggenomen. ZZP’ers worden dan feitelijk gelijk behandeld als werknemers in loondienst.

Alternatief

Een alternatieve oplossing is om iedere belastingplichtige dezelfde fiscale ruimte voor pensioenopbouw te geven. Eerder deed een commissie van de Vereniging voor Belastingwetenschap onder voorzitterschap van Aegon-directeur Herman Kappelle onderzoek naar knelpunten in het fiscale systeem van oudedagsvoorzieningen. Die stelt een nieuw stelsel voor waarin iedere belastingplichtige, ongeacht of hij werknemer of ZZP’er is, dezelfde aftrekruimte heeft.









Goed opletten bij het beleggingspensioen

Nu ook Nationale-Nederlanden, Aegon en Goudse Verzekeringen toestemming hebben gekregen om een pensioen op risicobasis aan te bieden, staat de zogeheten premie pensioen instelling (PPI) waarmee ze dat mogen doen in de startblokken om de markt voor collectieve pensioenen open te breken. Niets lijkt een forse groei van dit type pensioen in de weg te staan: de lagere kosten zullen bij werkgevers ongetwijfeld in de smaak vallen. Werknemers moeten wel oppassen dat ze de kaas niet van hun brood laten eten.
   
   
   

Er is voor werknemers namelijk een belangrijk nadeel van deze regeling: zij dragen het beleggingsrisico. Dat wil zeggen dat hun pensioen daalt of stijgt met de ontwikkelingen op de beurs. Een PPI hoeft daarom geen kostbaar vangnet tegen beleggingsrisico’s te spannen; vandaar de lagere kosten. De werkgever hoeft niets bij te storten in slechte tijden.

De drie verzekeraars zijn niet de eerste met een PPI-vergunning. Eerder kregen Brand New Day, Robeco en BeFrank een vergunning. De nieuwe premie pensioeninstellingen bieden een collectief pensioen aan in die zin dat een werkgever een contract afsluit voor zijn personeel. Ook zaken als administratie en beleggingsproces worden gedeeld. De pensioenpot is echter individueel. Zulke pure, individuele beleggingspensioenen bestaan overigens al een tijdje, met name in kleinere bedrijven. Uit de statistieken valt te herleiden dat circa 400.000 werknemers het beleggingsrisico zelf helemaal individueel dragen. De komst van de PPI zal dat aantal inmiddels ongetwijfeld al hebben verhoogd.

Beurscrash

Het grote risico is dat als de deelnemer vlak voor zijn pensionering wordt geconfronteerd met een beurscrash, hij een groot deel van zijn pensioen zal zien verdampen. De andere deelnemers en de werkgever hoeven dan niet bij te springen.

Werknemers die met de invoering van een beleggingspensioen worden geconfronteerd, zullen daarom even moeten doorvragen om welke vorm het precies gaat. Welke risico’s lopen ze? Zijn die risico’s groot, dan hoort een werknemer daarvoor gecompenseerd te worden. Bijvoorbeeld met een hogere pensioeninleg door de werkgever. Ook ligt het bij een individuele pensioenpot voor de hand dat de werknemer inspraak krijgt in de beleggingen.









'Nederlanders mogelijk tien procent minder pensioe

Een belasting op financiële transacties kost Nederlandse pensioenfondsen naar verwachting 3 miljard euro per jaar. Hierdoor houden Nederlanders mogelijk tien procent minder pensioen over, stellen werkgeversvereniging VNO-NCW en MKB-Nederland.

De Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen (VB) bevestigt de cijfers. De branchevereniging komt binnen enkele dagen met eigen berekeningen, "maar de cijfers liggen redelijk in de buurt", laat een woordvoerster weten.

De Europese Commissie zette de omstreden maatregel eind september op de politieke agenda. Door het belasten van financiële transacties zouden de EU-landen 57 miljard euro per jaar kunnen opstrijken.

Werkgeversverenigingen VNO-NCW en MKB-Nederland vrezen dat de ingreep de economische groei aantast en een rem zet op investeringen en de werkgelegenheid. De organisaties maken zich daarbij zorgen over de relatief grote financiële sector in Nederland.

Pensioenstelsel

Het Nederlandse pensioenstelsel zou daarbij veel harder geraakt worden dan die in andere EU-landen. "Dit betekent dat als gevolg van de FTT (bankenbelasting, red.) het rendement van pensioenfondsen vermindert en dat zal rechtstreeks leiden tot een verlaging van pensioenuitkeringen in Nederland", aldus beide organisaties eerder in een brief aan de Tweede Kamer.

De financiële transactietaks leidt volgens hen tot een geschatte lastenverzwaring voor de Nederlandse pensioenfondsen van ongeveer 3 miljard euro per jaar. Hierdoor zou de jaarlijkse pensioenopbouw en uiteindelijke pensioenuitkering gemiddeld met meer dan 10 procent dalen.

Veto

Groot-Brittannië heeft al een veto uitgesproken over de voorgestelde belasting, maar Frankrijk en Duitsland overwegen de taks alleen voor eurolanden in te voeren. Frankrijk zou zelfs bereid zijn om de belasting alleen binnen de eigen grenzen te introduceren.

Het Nederlandse Centraal Planbureau (CPB) waarschuwde eerder dat de taks het financiële systeem niet stabieler maakt. Andere manieren om de financiële sector mee te laten betalen aan de economische crisis, zoals een btw op financiële diensten, zouden een beter alternatief zijn.









   
   
   
   
 

'Geen bonanza bij hervorming pensioenen'

Pensioenfondsen gaan niet risicovoller beleggen als zij bij het berekenen van hun verplichtingen, na de hervorming van het pensioenstelsel, uitgaan van het verwachte rendement op beleggingen.

Dat zegt de nieuwe voorzitter van het pensioenfonds ABP, Henk Brouwer, in een maandag gepubliceerd vraaggesprek met Het Financieele Dagblad.

,,Ik verzet mij tegen de gedachte dat het dan een bonanza wordt. Als je denkt dat fondsen risicovoller gaan beleggen en zich rijk gaan rekenen, onderschat je het serieuze en prudente karakter van een pensioenfonds'', aldus Brouwer. Hij verwacht ook niet dat de risicoprofielen worden aangepast.

Daarmee toont Brouwer zich een voorstander van de rekenrente zoals die in het vorig jaar afgesloten pensioenakkoord wordt voorgesteld. ,,Het is logisch dat er in het nieuwe stelsel wordt uitgegaan van het rendement bij het bepalen van de rekenrente.''









Zzp'ers slecht verzekerd

Zzp'ers zijn over het algemeen slecht verzekerd. Twee derde van de zzp'ers heeft bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid niet afgedekt. 6 op de tien zeggen dat ze de kosten van deze polissen te hoog vinden.Grote groep valt terug op inkomen partner

Kwart zorgt zelf voor een reserve

Vaak geen geld voor oudedagsvoorziening
Partner
Dit blijkt uit onderzoek van Wijzer in geldzaken - in initiatief van het ministerie van Financiën - naar mogelijke financiële risico's bij zzp'ers. Slechts 33% van de zzp'ers blijkt een arbeidsongeschiktheid of een WIA-verzekering te hebben afgesloten. Daarnaast is er een grote groep zzp'ers die zegt terug te kunnen vallen op de partner. Een kwart denkt genoeg financiële reserves te hebben in geval van arbeidsongeschiktheid.

Naast arbeidsongeschiktheid zijn er nog drie mogelijke risico's die zzp'ers kunnen lopen onderzocht door bureau Veldkamp in opdracht van Wijzer in geldzaken.

Oudedagsvoorziening
Bijna de helft van de zzp'ers legt geen of naar eigen zeggen onvoldoende geld opzij voor de oudedagsvoorziening. Ook in dit geval is de belangrijkste reden dat het te duur is. Overige redenen zijn dat men bij pensionering kan terugvallen op de partner en dat men heeft er geen geld voor over heeft.

Aansprakelijkheid
Het privévermogen van de zzp'er is niet altijd voldoende beschermd en vormt daarom een risico. Een ruime meerderheid van de zzp'ers die getrouwd is of een geregistreerd partnerschap heeft, heeft niets opgenomen in de (huwelijkse) voorwaarden om de risico's van het privévermogen van zichzelf of de partner te beperken.

Zzp'ers zijn in grote meerderheid wel op de hoogte van het bestaan van de beroepsaansprakelijkheids- en bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen, maar desondanks heeft meer dan de helft deze niet afgesloten.

Beperkt financieel inzicht
Een beperkt inzicht in financiële zaken rondom het ondernemerschap is ook een risico waar zzp'ers mee te maken kunnen krijgen. Dit kan ontstaan doordat de privé-administratie niet gescheiden is van de zakelijke administratie, er geen zakelijke bankrekening is of dat men minstens drie van de vier belangrijke administratieve handelingen (boekhouding, jaarrekening, btw-aangifte, inkomensbelasting) zelf doet. Een sterkere stapeling van risico's is overigens te zien bij de zzp'ers die minder overzicht hebben over de eigen financiën.

Checklist zzp'er en geldzaken
Acht van de tien zzp'ers heeft wel eens gekeken naar informatie en/of ondersteuning gevraagd over belangrijke financiële zaken om de risico's te beperken. Uit het onderzoek blijkt dat zij minder vaak de hiervoor genoemde risico's lopen. 25% van de ondervraagde zzp'ers heeft aangegeven behoefte te hebben aan informatie en daarom heeft Wijzer in geldzaken de Checklist zzp'er en geldzaken samengesteld. Een overzicht met tips, betrouwbare informatie en links over onder andere arbeidsongeschiktheid, pensioen, fiscale zaken, zakelijke verzekeringen en administratie. Deze checklist biedt zzp'ers een helpende hand bij het vele uitzoekwerk rondom de financiële zaken die zij moeten regelen